De onderwijzer en kinderboekenschrijver W.G. van de Hulst uit Utrecht hoort samen met Chr. van Abcoude en Joh. C Kievit tot de eerste generatie jeugdboekenschrijvers van de Nederlandse literatuur. Van deze eerste generatie jeugdboekenschrijvers is W.G. van de Hulst de meest productieve: er zijn meer dan 100 boeken van hem uitgegeven, waarvan in de loop van de tijd 4 miljoen exemplaren werden verkocht. Vooral in de jaren ’50 was W.G. van de Hulst een Bekende Nederlander. Op zijn verjaardag werd hij overladen met duizenden verjaardagskaarten uit het hele land.

WG vd Hulst gaat vooral de geschiedenis in als de schrijver van zondagsschoolboekjes, die kinderen in de vorige eeuw –samen met een sinaasappel- na kerstvieringen mee naar huis kregen. In 1907 verscheen zijn eerste boek: Willem Wijcherts. Zijn meest bekende boeken zijn: ‘In de Soete Suikerbol’ (1948), ‘Rozemarijntje’ (1934), ‘Het huisje in de sneeuw’(1924), ‘Van de boze koster’ (1923), ‘Niek van de bovenmeester’ (1917), ‘Jaap Holm en zijn vrienden’ (1910) en ‘Oude Bram’ (1909). Bekend werd hij ook door de kerst- en zondagsschoolboekjes, die kinderen in protestants-christelijke kring met kerst kregen, door de eerste kinderbijbel, door sprookjes en door historische jeugdromans.

De meeste verhalen bedacht W.G. van de Hulst als onderwijzer/verteller in de klas van zijn school aan de Jutfaseweg in Utrecht. Hij schreef als geen ander in een taal en vanuit het perspectief (denkraam) van een kind. Ook op een andere wijze was het werk van Van de Hulst vernieuwend: hij liet zijn boeken illustreren (niet gebruikelijk on zijn tijd) en hij gebruikte korte zinnen en spreektaal. Hij was meester in klanknabootsingen, cursiveringen, accenttekens en stippeltjes. Daarom lezen zijn boeken zo gemakkelijk voor.

In het onderwijs werd W.G. van de Hulst bekend vanwege zijn leerboeken (geschiedenis) en zijn samenwerking met Cornelis Jetses. De adjunct-directeur van het Onderwijsmuseum in Dordrecht, de heer Jacques Daane, is bezig met een biografie van WG vd Hulst.